Vrijdag 22 mei 1944

Hierbij het (dagboek)verhaal van Sergeant John Frederick Tomney, over 22 mei 1944.

Hij is één van de twee overlevenden. Als hij in de avond van zondag 21 mei 1944 als boordwerktuigbouwkundige in zijn Lancaster stapt, is hij 22 jaar oud. Hij maakt dan zijn 13e vlucht, die zo onfortuinlijk zou aflopen.

“… we bereikten ons doel zonder een vijandelijk toestel of andere vijandelijkheden te ontmoeten. We bombardeerden Duisburg en vlogen westwaarts. Toen we ongeveer 2 minuten voor Amsterdam waren werden we in een hel licht gezet door de granaten van een nachtjager. De volgende minuut werd onze rechtervleugel eraf geschoten en granaten ontploften rond het toestel. De “Skipper” riep, op een toon die geen enkele tegenspraak duldde: “Eruit jongens, eruit!”

Ik vloog naar de al geopende deur en merkte op dat ik een laars verloor, de andere verloor ik toen ik eruit gesprongen was. We zaten ongeveer op een hoogte van 7000 meter. Hangend aan mijn parachute bekroop mij de angst dat ik in de zee zou terechtkomen. Ik wist dat er een God was en begon te bidden, dat als ik in zee zou landen Hij het mij makkelijk zou maken.

Na zo’n twee, drie minuten ging ik door dikke wolkenflarden en merkte op dat het vreselijk koud was. De wolken braken open en ik zag de grond opkomen om mij te ontmoeten. Voor ik ook maar wist waar ik was, moest ik opnieuw voor mijn leven vechten, omdat ik in het water was terechtgekomen.

Ik kreeg het voor elkaar om mij van mijn parachute en Mae West (Mae West was een populaire filmster in die tijd. Bij de Air Force en Navy werd een zwemvest zo genoemd, omdat het de uiterlijke vormen zo duidelijk veranderde.) te ontdoen en klom uit het water. Ik voelde mij erg verlaten, had geen idee waar ik was en vond iets dat op een karrenspoor leek. Waarom weet ik niet maar ik begon te rennen. Ik voelde dat mijn voeten pijn deden en stopte met lopen. In de verte zag ik een vliegtuig branden. “Is dat onze…? Kwam de rest van de bemanning er ook uit? Zal ik ze nog terugzien?” Talloze vragen kwamen bij mij op en bleven in mijn hoofd rondgaan. Waarom weet ik niet maar ik draaide mij om en liep de andere kant op tot ik bij een molen kwam. Ik liep er omheen en voelde aan de deuren. Alles zat op slot. Ik besloot mijn natte kleren uit te trekken om ze te laten drogen. Ik kreeg het voor elkaar de molenaar uit bed te krijgen en werd binnen gevraagd. Daar ontmoette ik ook zijn vrouw, ze was zo rond de zestig jaar.

Ik begon te denken dat die Hollanders een paar domoren waren. Ik stond daar te bibberen van de kou en zij stonden maar met elkaar te kwekken. Ze maakten echter een vuur aan en hingen mijn kleren te drogen. Koffie, brood en kaas stonden als volgende op de lijst, maar ik had helemaal geen honger. Ik was doodmoe en voelde me ziek.

22 mei 1944. Ik had ongeveer tot 6 uur geslapen toen de molenaar me een kop thee, een ei en brood met kaas gaf, dat ik met smaak opat omdat ik mij nu wel hongerig voelde. Ik ben in mijn leven nooit meer verbaasd geweest toen er een Hollandse politieman binnen stapte en “Good morning” tegen mij zei, me de hand schudde en toen het “God save the King”, ons Volkslied, begon te zingen. Kort nadat de eerste politieman was gearriveerd kwam er een tweede. Zij brachten mij naar het politiebureau van Sleivgort (Sliedrecht wordt hier bedoeld). Om omstreeks 11.00 uur kwam de Duitse Feldgendarmerie en werd ik naar het hoofdkwartier, ik geloof in Dortruk (Dordrecht wordt hier bedoeld) gebracht. Toen ik daar was ontmoette ik onze navigator Bruce Bird maar ik mocht niet met hem spreken.

Een vrouw, die vloeiend Engels sprak, probeerde informatie bij mij los te krijgen, maar ik vrees dat ik haar bitter teleurgesteld heb. Terwijl ik zat te wachten om naar Tilburg te worden gebracht kreeg ik nog iets te eten. Pas in Tilburg werden Bird en ik voor de eerste keer gefouilleerd sinds we gevangen werden genomen en werden we ieder apart in een cel gestopt. De bedden waren van hout en erg hard maar ik was zo moe dat toen ik lag, ik ook meteen sliep”.

John heeft (samen met Bruce Bird) de oorlog overleefd. Zij zijn in een krijgsgevangenkamp ver in het oosten terecht gekomen. De Duitsers deden dat, om een extra lange weg voor eventueel ontsnapten te creëren, waarbij ze een grotere kans zouden lopen opnieuw te worden gepakt. Toen op 18 januari 1945 de Russen het kamp dicht waren genaderd, moesten de krijgsgevangenen in de richting van het westen gaan lopen. Deze barre tocht duurde tot 8 februari 1945, de dag waarop ze Luckenwalde bereikten. Daar werden ze op 20 april 1945 door de geallieerden opgevangen. Na 10 maanden en 29 dagen waren John en Bruce weer vrij!.

John en Bruce keerden terug naar Engeland. Van Bruce Bird weten we niet veel. Hij schijnt kort na de oorlog geëmigreerd te zijn naar Australië. Hij schijnt zelfs Goudriaan ooit bezocht te hebben, maar er is niemand die bijzonderheden heeft of informatie kan verschaffen.

John bracht zijn werkzame leven met name door in Arabische landen als technicus in de olie-industrie. Hij trouwde met Joyce die hem drie zonen schonk. Zijn hele leven heeft hij zich afgevraagd waarom hij mocht blijven leven terwijl zijn “brothers in arms”, stierven. Als ze een paar seconden meer tijd hadden gehad zouden ze wellicht ook hebben kunnen springen.

John overleed op 18 maart 1994. Zijn as werd op zijn verzoek door zijn vrouw en zonen uitgestrooid bij zijn kameraden.

Bron: http://www.knoxetal.com/raf/ND956_AS-1_166/ND956_AS-1_166s.asp

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *